IV. Albert Bausch, stamvader van de huidige naamdrager Bausch

 

Albert Bausch, de tweede opgegroeide zoon van het echtpaar Bausch/Paland is volgens het overlijdensbericht in het kerkenboek van de gereformeerde gemeente in Düren op 24.11.1718 in de leeftijd van 89 jaar gestorven. Hij werd in 1629 geboren. Na de dood van zijn moeder in 1645 heeft hij 4 jaar op de boerderij van zijn oom Johann Bausch geleefd. Hij moet voor zijn tijd een goede school opleiding genoten hebben, hij beheerste wat Latijn, hij kende tenminste precies de in het toenmalige ambtelijke schriftverkeer  woorden die in  juridisch taalgebruik gebruikelijk waren. Hij zou lange tijd op een griffie werkzaam  geweest kunnen hoewel dat niet  te bewijzen is. Toch laat zich zijn handigheid nauwelijks verklaren, anders dat hij in staat is om later alle briefwisselingen met de rechtbanken en  autoriteiten zelfstandig te voeren. Zijn manier van werken  duidt ook in de richting van een griffie omdat hij principieel een kopie van door hem verzonden brief en inkomende brieven maakt en deze zorgvuldig bewaart. In zijn famile -en ver daarbuiten heeft hij de roep een expert in ambtelijke correspondentie te zijn. Daarvoor is getuige o.a. het volgende. In het jaar 1701 wilden de erven Nobis en Nickel uit Inden bevrijd worden van een belasting, die ten laste kwam van hun boerderij in Geuenich. Voor dienstwagens, die voorheen  aan de  prefect van Wilhemstein betaald moest worden, betaalde men sinds 1687 jaarlijks honderd Gulden aan de Kas van de Hertog. Daarom trok men voor  het maken van schriftelijk verzoek aan de Pacht commissie in Düsseldorf.waarmee een  vrijstelling van betalingen   beoogd werd, naar Albert Bausch uit Berzbuir. Op 18.9.1660 komt Albert Bausch als tweede zoon van Diedrich Bausch en Maria Paland in het contract voor dat met  oom Johann Bausch afgesloten is.Daarbij gaat het om het aandeel in het bedrag dat de verkoop van de boerderij in s, Gravenvoeren had opgeleverd. De kinderen van Dietrich Bausch was hun aandeel onthouden en  Johann Bausch  staat  als vervanging  van het hun toekomende  geldbedrag,  7 morgen land in Inden aan zijn neven af. Op 2.1.1661 ruilen de gebroeders Albert en Adam Bausch 3 morgens land in Altdorf tegen akkerland in Dreisch van Geunich met Paulus Bardenhewer. De oudste broer Ahasver wordt niet vermeldt, hij is daarna niet meer betrokken bij erfenissen in het gebied Inden/Altdorf. Waarschijnlijk is reeds vooraf een erf deling doorgevoerd, waarvan echter geen documenten zijn aangetroffen. In de tweede helft van Juni 1663 trouwt Albert Bausch met Johanna Dorpmann van Berzbuir, dochter van de overleden Jacop Dorpmann en de in 1663 nog in leven zijnde Catharina Brewer.  Op 22.6.1663 wordt het huwelijks contract afgesloten.

 

Het vermogen van de bruidegom was volgens dit document: landbezit in Inden, Altdorf, Pier en Lohn, ter waarde van 1500 Talers Keulse waardering. Johanna Dorpmann ontvangt een medegift van een rente inkomen van Gierbelsrath, die afkomstig is van haar oer grootvader Diedrich von der Hütten, jaarlijks 3  “Malten Roggen Dürener Masz” van de hof Berzbuir, verder  een bed met toebehoren, 2 koeien, 2 varkens en een kist met huislaarzen. Het contract werd,  buiten  het bruidspaar, getekend door oom Johann Bausch, diens zwager Heinrich Nobis en de moeder van de bruid Catharina ( geboren Brewer), terwijl haar tweede echtgenoot, Bernhard Poll, niet lezen en schrijven kon.

Het jong gehuwde echtpaar Albert Bausch / Johanna Dorpmann wonen allereerst in Inden. Op 19.9.1664 huren zij van hun oom, de predikant Johannes Hundius, het erf- bezit van zijn vrouw Christine Bausch voor 12 jaar. Het gaat om de boerderij “Kanthuis

( het oude Zehenthof)  met de daartoe behorende landerijen ( vermoedelijk 35 Morgens land. Daarvoor moeten de pachters jaarlijks 40 rijksdaalders  op St. Andreas dag betalen. Na de dood van  oom Johann Bausch ( einde 1664) komt het binnen de familie tot nieuwe onenigheden. Opnieuw kiest de predikant Johannes Hundius, die in 1660 zijn neven met hun recht geholpen heeft, partij voor de nog niet volwassen kinderen van Johann Bausch. In een brief beticht hij zijn neven Albert en Adam ervan, moeilijk beleren te zijn. Met geweld probeerden zij eenmaal  hun belachelijke voorstellingen kracht bij te zetten. Hundius schrijft: “Ihr seyt mir alle, einer so nahe alsz der ander. Ihr seit wegens eures mangels des Gehörs sehr schwerlich zu berichten, und wenn Ihr ein irrige opinion geschöpfed habt, so tringet Ihr wegen eurerer hefftigen affecten mit gewald durch.

De reden van de strijd lag daarin dat Albert en Adam Bausch probeerden, na de dood van hun oom,  de resterende vorderingen , die nog  resteerden uit de verkoop van de boerderij in s’Gravenvoeren,met geweld te incasseren. Het was de broers gelukt, hun zwager van  Johann Bausch  en echtgenoot van Katharina Bausch, Heinrich Nobis, een volgens de mening van Hundius een ongunstige  overeenkomst op te dringen, die hij als voogd van de onmondige zusters niet accepteren wilde. Daarbij gaat het bovendien om kleinigheden, bijvoorbeeld om een muur, die op kosten van de erven Johann Bausch voor een precieze begrenzing van de gedeelde boerderij opgericht was, of de plaats van een paal, die op een hoek van een schuur stond en die waarschijnlijk een grens inhield. Bijzonder bedroeft het de predikant, dat er zulk een haat in een gereformeerde famile heerst, terwijl de situatie van de gereformeerde minderheid in het Hertogdom Júlich noch wel  zo wankel is. Een verder ontvangen brief van Wolfgang Wilhelm Hundius, zoon van de predikant, die zich op 1.4.1667 tot Albert Bausch richt, geeft  er kennis van , dat  het grotendeels kleine onenigheden zijn die de vrede in de famile storen. Het meest onverdraagzaam schijnt naast de neven Adam Bausch, de broer van Albert, de neef Ahasver Bausch (zoon van Werner) geweest te zijn. Van de religieuze spanningen, die ook in Inden speurbaar zijn, getuigt een klacht van Albert Bausch begin Februari 1667.

Die wordt snel op 6.2.1667 in zijn voordeel beslist. Het gaat om het medegebruik van het kerkhof door de gereformeerde minderheid, die principieel door de katholieke pastoor geweigerd wordt. Echter omdat door het hoge water van de Inde en Ruhr  het gereformeerde kerkhof van Jülich niet bereikbaar is, bewerkstelligt Albert Bausch een gerechtelijk besluit waarin zijn gestorven kind op het Indener kerkhof begraven mag worden. In het voorjaar 1672 trekt Albert Bausch met zijn familie na –of kort voor de dood van zijn schoonmoeder Catharina Brewer ( weduwe Dorpman ) naar Berzbuir. Daarom verpachten het echtpaar Bausch/Dorpman op 26.2.1672 hun huis, boerderij -en  landbezit in Inden aan Johann Krausz en Sibilla Velders van Lucherberg voor 6 Jaar. De pacht bedraagt voor het huis en weilanden 16 Rijksdaalders jaarlijks en voor elke morgen akkerland 4 sumber Roggen Dürener Masz.Als  belasting, die de pachter moet overnemen zijn, vooral de niet onaanzienlijke uitgaven die  te voldoen zijn aan de domheren van Keulen;  te noemen  jaarlijks 13 Firdel Weizen, 22 Firdel Roggen en 7 Firdel en 3 Muts Hafer. Een belangrijk deel van het grondgebied stamt uit de percelen van de oude Zehenthof, die pachteigendom  is van de Dom in Keulen.

In Berzbuir woont- en bewerkt Albert Bausch sinds 1672 de machtige Frankische boerderij, die zijn vrouw Johanna Dorpmann voor een groot deel geërfd had. Dat het om een pacht Hof ging was in de vergetelheid geraakt. Men hield het voor een vrij bezit. Sinds 1668, toen vanuit de Dusseldorfse regering de aankondiging tot  vernieuwing van het pacht contract wordt gestuurd, dreigen de eigenaren het verlies van hun bezit.

Doch Albert Bausch bemoeit zich handig, gewiekst, vasthoudend en met groot geduld om de zaak met als resultaat dat een nieuwe pacht gesteld wordt.  Bij de instantie van het pachtwezen in Hambach verschijnt hij als vertegenwoordiger van de Hof persoonlijk, hoog te paard, voor de eerste maal op 10.9.1675. Daarbij geeft hij als verslag een protocol af; hij heeft 22 jaren gediend en is   steeds bereid, de Hertog nu en in de toekomst,  ook in het buitenlandse  ( krijg) dienst te dienen.  Verder verzoekt hij, dat men hem niets  betreffende de juridische aspecten van het gut in Berzbuir aan te rekenen, omdat  men deze voor allodiaal ( vrijbezit), houdt. Op 23.6.1676 herinnert Albert Bausch aan het openstaande pachtcontract. Het in concept bewaarde antwoord van de Pachtkamer in 23.6.1676, waarin om  inlichtingen en bewijzen gevraagd wordt, bereikt  om onbekende reden nooit Berzbuir. Op een nieuwe aanvraag van Bausch van 8.3.1682 vordert men in Dusseldorf als ultimatum om binnen een maand documenten te overleggen waaruit blijkt hoe de familie in het bezit van de pachthof is geraakt. Daartoe is Albert Bausch kortstondig in staat. Op 10.5.1661 overhandigt hij gewaarmerkte afschriften van koopverdragen uit de jaren 1587 en 1588, een deelcontract van de famile Brewer uit 1636, een genealogische overzicht en een precies overzicht van de grondstukken die bij het pachtgoed  behoren. Daarop gebeurt lang tijd niets, de pacht verlening wordt verder vertraagd en ook verschijnt het voor het jaar 1699 niet de aangekondigde “”action caduciatis” - intrekking van het pacht contract.  Uiteindelijk volgt een nieuwe pacht op 31.1.1707 voor de jongere zoon Johann Albert Bausch.

Zijn vader Albert Bausch was reeds sinds 1672 lid van de gereformeerde gemeente in Düren. Hij betaalde in het begin 3 Gulden belasting per jaar dat hij later verhoogde tot 5 Gulden.In 1678 was hij diaken, van 1683 tot 1694 ouderling van de gereformeerde gemeente Düren.Op hoge leeftijd van is hij uiteindelijk op 24.11.1718 op zijn Hof van Berzbuir gestorven en bijgezet in de gereformeerde kerk van Düren.